Het onderdak moet ervoor zorgen dat het dak wind-, stof- en regendicht is. Het zorgt ervoor dat regen en sneeuw, die door de wind onder de pannen geblazen worden, ongehinderd naar de kroonlijst afgevoerd worden. Het onderdak beschermt de isolatie en verhindert luchtstromingen in de isolatie die voor aanzienlijke warmteverliezen kunnen zorgen.
Het onderdak moet de regen- en luchtdichting verzekeren, maar tegelijk ook voldoende doorlatend zijn voor waterdamp van binnenuit, om het risico van condensatie in de isolatie te beperken.
Waterdampdoorlaatbaarheid: µ, d en Sd
µ (« mu ») geeft de waterdampdoorlaatbaarheid van een materiaal weer.
De hoeveelheid waterdamp die zich verspreidt doorheen een bepaald materiaal hangt niet alleen af van de µ-waarde van het materiaal, maar ook van de dikte d (uitgedrukt in meter).
De equivalente diffusiedikte μd of Sd (uitgedrukt in meter) geeft de weerstand tegen waterdampdiffusie aan van een materiaal van een bepaalde dikte.
µd = µ x d
Hoe kleiner μd of Sd, hoe dampopener het materiaal is.
De µd-waarde van het onderdak moet kleiner zijn dan 0,5 meter. Deze waarde is terug te vinden op de technische fiche van het onderdak. Vraag ernaar bij uw aannemer.
Om een onderdak te kunnen plaatsen moet de dakbedekking altijd verwijderd worden. Het is niet aan te raden om het onderdak via de binnenkant te plaatsen, omdat deze techniek geen volledige regendichtheid garandeert.
Het onderdak bestaat uit stijve panelen of een soepel membraan.
Vormvaste onderdaken
Dampopen onderdaken zijn geschikt voor elke isolatiemethode. Ze zijn duurder, maar hebben verschillende voordelen:
- vormvaste onderdaken waaien niet op door de wind waardoor elk contact met de dakbedekking wordt vermeden;
- hun vermogen om het vocht te regelen maakt de tijdelijke absorptie mogelijk van eventueel condenswater dat zich tegen de onderzijde kan vormen;
- hun beperkte isolerende waarde vermindert de impact van koudebruggen;
- hun massa draagt bij aan de akoestische isolatie van het dak;
- de platen sluiten onderling aan met tand en groef (plaatsing met de tand naar boven), het winddicht afkleven kan dus beperkt blijven tot een aantal specifieke plaatsen (ter hoogte van de nokken, dakdoorvoeren, dakramen…).

Thermische brug: een zwak punt in de gebouwschil
Koudebrug : zone van de gebouwschil waar de isolatie zwakker is en een gemakkelijkere doorgang aan warmte biedt. De koudebrug, of bouwknoop, is een koud punt waar waterdamp kan condenseren.
Platen in houtvezel (al dan niet geïmpregneerd met bitumen of latex) of in versterkte houtwolcement beantwoorden aan deze karakteristieken.
Soepele membranen
Deze vereisen een subtielere plaatsing. Om te voorkomen dat ze door de wind of tijdens de plaatsing van de isolatie vervormen, moeten ze optimaal worden aangespannen. De verbindingen tussen de folies en met het gebouw moeten met plakband worden afgedicht. Soepele membranen zijn meestal zeer dampopen.
